Interview Vlaams minister van Economie Fientje Moerman
'In Vlaanderen blijft ruimte voor de industrie'
De liberaal Fientje Moerman (46) is Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse handel. Ze maakte na de verkiezingen voor het Vlaamse parlement in juli 2004 de overstap van het federale ministerie van Economie in de Wetstraat naar het Martelaarsplein in Brussel, waar de Vlaamse regering zetelt.
De portefeuille mag vergelijkbaar zijn, het perspectief is veranderd. Bovendien is Fientje Moerman vice-ministerpresident, waardoor ze zich geregeld met politieke dossiers moet bezighouden die buiten haar directe bevoegdheden vallen.
We spraken met de minister over het Belgische en Vlaamse industrie-, energie- en milieubeleid.'
TEKST: ANTON BUYS | FOTO'S: STEFAN DEWICKERE
De Vlaamse minister van Economie, Fientje Moerman, is van oorspong jurist. Ze studeerde rechten aan de Universiteit Gent en aan het prestigieuze Harvard. Na een korte loopbaan als advocaat maakte ze halverwege de jaren tachtig kennis met de Europese politiek als medewerkster van het Kabinet van Simone Veil, die destijds voorzitter was van het Europees Parlement.
Het politieke handwerk leerde ze vanaf 1995, eerst als onderwijsschepen namens de Vlaamse liberalen, de VLD, in haar eigen Gent, later als verkozene in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Na de federale verkiezingen van 2003 werd ze minister van Economie in het tweede paarse kabinet. Niet voor lang, want een jaar later verruilde ze het federale voor het gewestelijke niveau, waar ze ook verantwoordelijk is voor economische aangelegenheden.
Het regeerakkoord tussen de coalitiepartners VLD, CD&V/NVA en SP.A/Spirit bevat ambitieuze doelstellingen op economisch gebied, maar er zitten nogal wat addertjes onder het gras, waarvan de bedreigde concurrentiekracht van België en het institutionele Belgische labyrint er maar twee zijn.

<België heeft zich zeer slap opgesteld in de onderhandelingen over het Kyoto-Protocol. Daar moeten de toenmalige beleidsverantwoordelijken maar eens rekenschap over afleggen.>
U ziet het als een van uw kerntaken het ondernemingsklimaat in Vlaanderen aantrekkelijker te maken. Bent u ook van mening dat de hoge kosten voor de bedrijven, waaronder loonkosten, het ondernemingsklimaat ondermijnen?
Allereerst dit: men kan als het om loonkosten gaat, niet alles op de regering schuiven. Er bestaan binnen de industrie verschillen in loonniveau die zijn ontstaan door onderhandelingen tussen vakbonden en werkgevers. Maar ik erken dat de overheid de concurrentiepositie van het bedrijfsleven moet beschermen. In ons regeerakkoord hebben wij daarvoor ook verschillende financiële stimuleringsmaatregelen aangekondigd.'
Zoals?
Ik ben van plan om ondernemingen een betere toegang tot financiering, risicokapitaal in het bijzonder, te geven. Een van de voorbeelden is de ARKimedes-regeling, waarvoor ik net het officiële startschot heb gegeven. Hiermee zal in de komende vijf jaar 450 miljoen euro worden geïnvesteerd in kleine en middelgrote ondernemingen met een vestigingszetel in Vlaanderen.
Een ander initiatief, bedoeld om de oprichting van technologie-intensieve bedrijven te bevorderen, is het verstrekken van studiebeurzen aan doctorandi die plannen hebben om zo'n bedrijf op te zetten. Zo leren ze in een vroeg stadium hoe ze hun technologische kennis moeten omzetten in een praktisch bruikbaar ondernemingsplan.
Hoort de industrie er nog bij? Er gaan wel eens stemmen op die beweren dat de industrie hier toch niet kan concurreren met lagelonenlanden. We zouden onze energie dus beter in andere sectoren kunnen steken.
Dat vind ik grote flauwekul. Ik blijf Vlaanderen promoten als een land waar ruimte is voor de industrie. Het belang van onze industriële bedrijven is nog altijd enorm groot, qua jobs maar ook als afnemer van de dienstensector. Het is wel zo dat het aandeel van de industrie in de economie daalt en de bedrijven kennisintensiever zijn geworden, waardoor ze verhoudingsgewijs minder kwijt zijn aan loonkosten dan vroeger.
Maar ik ben me er heel goed van bewust dat – als we de industrie voor dit land willen behouden en nieuwe investeringen willen aantrekken – we oog moeten hebben voor eventuele kostennadelen. Het gaat in de meeste gevallen om dochterondernemingen van internationale concerns. Die concurreren niet alleen met andere ondernemingen maar ook met filialen van hetzelfde moederbedrijf in andere landen om investeringen aan te trekken.

Welke troeven heeft België naar uw mening in handen om buitenlandse investeerders te bewegen juist hier te investeren?
Die zijn denk ik genoegzaam bekend. Allereerst hebben werknemers in ons land een scholingsgraad die tot de hoogste van Europa, zelfs van de wereld behoort. Veertig procent van onze 18-jarigen stroomt door naar hoger onderwijs. De meeste mensen beheersen twee of drie talen. De productiviteit is bijzonder hoog. We hebben een zeer goede infrastructuur, zowel logistiek als op ICT-gebied. Er bevinden zich hier topuniversiteiten en andere kenniscentra van wereldniveau.'
Toch nog even terug naar de kosten. Voor de industrie, met name de petrochemische industrie, zijn de milieukosten de laatste jaren sterk gestegen als gevolg van de steeds strengere milieu-eisen. Zijn we wat dit betreft niet doorgeschoten, waarbij onze economische belangen ondergeschikt zijn gemaakt aan milieubeleid waarvan het effect zelfs niet altijd duidelijk is?
U weet dat het milieubeleid quasi-volledig Europees is. Maar ik moet toegeven dat we in het verleden in Vlaanderen soms verder zijn gegaan dan Europa wilde, waarbij richtlijnen van de EU als een soort kapstok werden gebruikt om er allerlei bijkomende zaken aan te kunnen hangen. Dat mogen we niet meer doen. Met ingang van deze regering luidt het devies: de richtlijn, gans de richtlijn en niets dan de richtlijn. Naast deze stok hechten we ook veel belang aan de wortel. Daarom hebben we een vernieuwd systeem van ecologiesteun geïntroduceerd. Bedrijven die verder willen gaan dan de voorschriften kunnen subsidie krijgen. U ziet met deze Vlaamse regering dus echt een trendbreuk.'

Zo'n beloningssysteem zou in Vlaanderen ook toegepast worden bij het uitvoeren van het Kyoto-Protocol. Bedrijven die het op energiegebied beter deden dan de 'benchmark' zouden een bonus krijgen. Uiteindelijk is daar niets van terecht gekomen.
U verwijst hiermee naar de wereldtopfactor. Vlaamse bedrijven die het beter doen dan de benchmark, zouden daar inderdaad voor beloond moeten worden. Maar we stuitten daar op verzet van de Europese Commissie, die deze incentive als staatssteun beschouwde. We zijn dus door Europa gedwongen om af te stappen van dat voornemen.' 'Het terugbrengen van de CO2-emissies is een probleem voor ons. België heeft zich in 1998 zeer slap opgesteld in de onderhandelingen over het Protocol.
Daar moeten de toenmalige beleidsverantwoordelijken misschien maar eens rekenschap over afleggen. Nu zitten we met een situatie waarin wij relatief gesproken een zeer grote reductie moeten realiseren, terwijl andere landen hun norm al halen door als het ware twee verouderde kolencentrales te sluiten. We moeten die situatie nu zien te managen. Ik heb altijd gezegd – tot hilariteit van sommigen in de pers – dat flexibele mechanismen zoals joint implementation en clean development onontbeerlijk waren om de Kyoto-doelstellingen te kunnen halen. Nu blijkt dat we geen keus hebben; we kunnen niet zonder emissiehandel.'
<Voor bepaalde investeringen op energiegebied kan de onderneming alleen aanspraak maken op een ecologiepremie als zij zich verplicht de CO2-emissies te verminderen.>
Hoe nu verder? De laatste klimaatconferentie in Buenos Aires heeft weinig tot niets opgeleverd. Ontwikkelingslanden laten zich geen groeibeperkende maatregelen opdringen. Welke oplossing staat u voor en wat kunnen kleine landen als België en Nederland effectief bijdragen?
Niets doen is geen optie. De Milieuraad van de EU heeft geconcludeerd dat als we de temperatuurstijging tot 2°C willen beperken de wereldwijde emissies van broeikasgassen binnen twee decennia hun maximum moeten hebben bereikt. Daarna zou een aanzienlijke verlaging van ten minste 15 procent en tegen 2050 van misschien wel 50 procent ten opzichte van de niveaus van 1990 moeten plaatsvinden. Wat dat betekent weten we nog niet. Maar het is duidelijk dat de Europese Unie zijn voortrekkersrol wil blijven spelen en elke lidstaat op zijn verantwoordelijkheid zal wijzen. Terecht. België mag dan wel een klein land zijn, het is toch een van de grootste vervuilers.'
U noemde de ecologiesteun als een van de middelen om milieudoelstellingen te halen. Wat zijn hierbij de selectiecriteria?
Het gaat om milieu-investeringen die betrekking hebben op bescherming of herstel van onze leefomgeving, investeringen die het energieverbruik verminderen en financiële steun aan bedrijven die om milieuredenen moeten verhuizen. Essentieel is dat het geld besteed wordt aan innovatieve technologie die de bestaande Europese of strengere Vlaamse normen overtreft.

Sommige innovatieve technologieën zijn in een experimenteel stadium en zullen het vermoedelijk niet redden, andere oudere technologieën – bijvoorbeeld warmtekrachtkoppeling – hebben zich al bewezen. De overheid kan een euro maar één keer uitgeven. Zou u niet meer op het verwachte rendement van subsidies moeten letten?
De overheid springt zeer bedachtzaam om met de middelen. Enkel de ecologische meerkosten komen in aanmerking voor subsidiëring. Dit is het extra investeringsbedrag dat noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de milieudoelstellingen. Klassieke investeringen zijn hiervan uitgesloten. Bovendien worden deze meerkosten de eerste vijf jaar verrekend met de opbrengsten en besparingen die de investering oplevert. Ook kijken we naar de zogenaamde "milieuperformantiefactor". Hoe minder de opbrengst voor het milieu, hoe lager de ecologiesteun.' '
We kijken ook heel kritisch naar de technologieën die voor subsidie in aanmerking komen. Wat niet op een vooraf door experten opgestelde lijst staat, krijgt geen financiële steun. Voor bepaalde investeringen op energiegebied kan de onderneming alleen aanspraak maken op een ecologiepremie als zij zich verplicht de CO2-emissies te verminderen. In dat geval wordt vóór de uitbetaling de naleving van dat engagement gecontroleerd aan de hand van een overeengekomen berekenings- en monitoringmethode.'
Een van de vraagstukken waarvoor België als geheel zich ziet gesteld, is de complexe federale structuur en de soms onlogische verdeling van bevoegdheden tussen het federale en gewestelijke niveau. Heeft u wel voldoende instrumenten om uw beleidsdoelstellingen waar te maken?
Het antwoord is nee. Ik ben van mening dat het subsidiesysteem te ver en het fiscale systeem te weinig is uitgebouwd. Een verdere staatshervorming zal noodzakelijk zijn om beide gemeenschappen de instrumenten te bezorgen waarmee de regio's een sociaal en economisch beleid kunnen voeren dat het best aansluit bij hun noden. Voor mijn partij, de VLD, staat voorop dat de gewesten eigen fiscale middelen nodig hebben. No representation without taxation.'
|