INHOUDSOPGAVE | TERUG

Interview met Joost Van Roost, president-directeur van
ExxonMobil Benelux

Tussenbalans

De laatste twee jaar hebben verschillende vooraanstaande wetenschappers, vertegenwoordigers van invloedrijke organisaties en politici in kritische vraaggesprekken in dit blad hun licht laten schijnen over een aantal vraagstukken die nauw verbonden zijn met onze energievoorziening, nu en in de toekomst, en met de industriepolitiek in de Benelux-landen.
In dit nummer maken we een tussenbalans op, waarbij we de rollen voor de gelegenheid omdraaien. We spraken met de president-directeur van ExxonMobil Benelux, Joost Van Roost, en confronteerden hem met enkele prikkelende standpunten van vorige geïnterviewden.

TEKST: ANTON BUYS | FOTO'S: WILLEM BLAUW


Joost Van Roost is sinds 2000 president-directeur van ExxonMobil Benelux. In die periode heeft hij – in tegenstelling tot de meeste van zijn voorgangers – veel tijd gestoken in het maatschappelijk debat over energie- en milieuvraagstukken. Hij sprak op conferenties en andere evenementen, gaf interviews aan landelijke media en sprak vaak en veel met beleidsmakers. De oorzaak van deze verhoogde activiteit is eenvoudig: er is een gevoel van urgentie ontstaan rond het energievraagstuk. En er zijn vragen te over. Hoe moeten we de komende decennia aan de groeiende energiebehoefte van de wereld voldoen? Hoe kunnen we de almaar stijgende vraag naar energie verzoenen met de noodzaak ons leefmilieu te beschermen? Welke rol moeten ondernemingen spelen die in de energiesector actief zijn; hoe staat het met hun maatschappelijke verantwoordelijkheid? En hoe belangrijk is de industrie nog voor ons deel van de wereld?



<Wij menen op goede, objectieve gronden dat tot 2030 zeker 80 procent van de wereldwijde energiebehoefte gedekt zal blijven worden door olie, gas en kolen.>


Verschillende concurrenten van ExxonMobil, maar ook gerenommeerde onderzoeksinstellingen kijken op een andere manier vooruit. Ze gaan uit van verschillende scenario's, waarbij het aandeel van alternatieve, vervangbare energiebronnen varieert. Waarom presenteert ExxonMobil maar één visie?

Werken met verschillende scenario's zou ons toekomstbeeld niet veranderen. In feite zijn alle betrokkenen het erover eens dat fossiele brandstoffen tot 2030 een hoofdrol zullen blijven spelen. Degenen die een substantiële bijdrage voor vervangbare energie zien, spreken over de lange termijn, bijvoorbeeld 2050. Wij menen op goede, objectieve gronden dat tot 2030 zeker 80 procent van de wereldwijde energiebehoefte gedekt zal blijven worden door olie, gas en kolen. De groei in de sector zon en wind is indrukwekkend, maar desondanks blijft voor deze alternatieve energiebronnen niet meer dan een bijrol weggelegd, denk aan ongeveer één procent. Dat komt doordat de vraag naar energie zeer sterk zal stijgen, in het bijzonder in opkomende economieën zoals China en India. Om aan die stijgende behoefte te kunnen voldoen moeten we echt alle zeilen bijzetten om voldoende olie en gas te winnen. Er zijn enorme investeringsbedragen mee gemoeid en ook de technologische uitdagingen zijn groot. Het ironische is dat de olie-industrie onder andere van het Internationaal Energie-Agenschap juist vaak het verwijt krijgt dat er niet voldoende in fossiel wordt geïnvesteerd.'

Toch zitten we met het probleem dat we wel de feiten van vandaag kennen, maar niet de ontwikkelingen van morgen. Stel nu eens dat er over enkele jaren een technologische doorbraak komt, waardoor de energievoorziening volledig op zijn kop wordt gezet. Dan hebben we toch niets meer aan die voorspellingen?

Ik geeft toe dat die ramingen niet altijd even precies zijn en dat spectaculaire ontwikkelingen niet helemaal uit te sluiten zijn, maar zelfs als de cijfers niet exact zouden kloppen blijft het beeld hetzelfde, dát is mijn punt. Ik weet ook wel dat – om die bekende uitspraak aan te halen – het stenen tijdperk niet is geëindigd doordat de stenen zijn opgeraakt. Met olie zal het vermoedelijk uiteindelijk niet anders gaan, maar niet in de komende twee generaties. Dit heeft ook met marktwerking te maken. Het winnen van fossiele brandstoffen is een commerciële activiteit, er zijn voldoende voorraden en er is geld mee te verdienen. Dat geldt niet voor alternatieve energiebronnen; ze zijn toch nog steeds meestal afhankelijk van subsidies. Zolang dat zo is kunnen ze nooit echt op grote schaal van de grond komen.'


<Pas op lange termijn is een doorbraak van waterstof als energiedrager mogelijk.>

ExxonMobil zou natuurlijk een handje kunnen helpen door rechtstreeks geld te steken in de ontwikkeling van alternatieven zoals wind en zon. Noem het geen investering maar sponsoring. Je kweekt er in ieder geval goodwill mee.

Goodwill kweken mag nooit een doel op zich zijn. Onderzoek en ontwikkeling naar economisch haalbare toepassingen is wel nodig. Het gaat uiteindelijk om het vinden en in de praktijk brengen van oplossingen voor het energie- en milieuvraagstuk. Daarom leggen wij zoveel nadruk op energiebesparing. Dat heeft verschillende voordelen: de hoeveelheid broeikasgasemissies vermindert op korte termijn én het is economisch verstandig. Iedereen heeft hier baat bij.'

Het grootste deel van de broeikasgassen wordt door het verkeer uitgestoten, niet door de industrie, dus helpt energiebesparing op de fabrieken wel echt?

Dat helpt wel degelijk. We hebben wereldwijd tientallen warmtekrachtcentrales gebouwd. De energie die hiermee wordt bespaard, staat gelijk aan het van de weg halen van een miljoen wagens per jaar. Helaas hebben we inderdaad niet rechtstreeks greep op het brandstofverbruik in het verkeer. We zijn voor zuinige auto's, maar het staat de consument vrij ze wel of niet te kopen.'

ExxonMobil denkt – voor de middellange termijn – dat hybride auto's de markt zullen veroveren. En de waterstofeconomie die velen ons al in het vooruitzicht hebben gesteld? Hoe staat het daarmee?

We zijn absoluut niet toe aan het grootschalig gebruik van waterstof. In de eerste plaats zijn brandstofcellen nog veel te duur. Bovendien hebben we geen goede oplossing voor het efficiënte en veilige vervoer van waterstof. We moeten ook eerlijk kijken naar de milieuvoordelen: veel mensen staren zich blind op de nulemissies bij het verbruik. Maar voor de productie van waterstof is heel veel energie nodig. Aangezien die energie voor het overgrote deel uit fossiele brandstoffen moet komen, daalt de totale uitstoot van broeikasgassen niet of nauwelijks.' '

Het in de auto produceren van waterstof uit benzine – een alternatieve methode die wij bepleiten om te voorkomen dat een compleet nieuwe infrastructuur van bevoorradingspunten moet worden gebouwd – is technologisch ondanks alle onderzoek nog allerminst volwassen. Kortom, we zijn er nog lang niet, pas op lange termijn is een doorbraak van waterstof als energiedrager mogelijk.'

'Hybride auto's doen het daarentegen juist nu reeds heel goed als we kijken naar de verhouding tussen kosten per kilometer en emissiebeperking. Er zijn nog veel mogelijkheden om de efficiëntie van die motoren verder te verbeteren.'



Ander onderwerp: maatschappelijk verantwoord ondernemen. ExxonMobil heeft daar de laatste jaren veel werk van gemaakt. Er verschijnt nu jaarlijks een Maatschappelijk Verslag en het concern laat geen gelegenheid voorbijgaan om te verklaren dat de manier waarop de bedrijfsresultaten worden behaald even belangrijk is als de resultaten zelf. Hoe serieus moeten we dit nemen? Het is nog niet zo lang geleden dat alleen het maximaliseren van aandeelhouderswaarde scheen te tellen.

Tja, als je er niets aan doet, is het niet goed en als je er wel aandacht voor hebt, krijg je dit soort kritiek. Aandeelhouderswaarde creëren is juist maatschappelijk verantwoord ondernemen! Het is ronduit onethisch kortetermijngewin na te streven zonder de langetermijnbeleggingen van met name kleine aandeelhouders in het oog te houden. Er is immers heel veel pensioengeld geïnvesteerd in aandelen, ook van ExxonMobil. Dat is voor ons een heel belangrijke ethische leidraad naast andere zoals het bevorderen van veiligheid en gezondheid, de zorg voor het milieu, het gelijke kansen bieden aan iedereen die bij ons werkt, de integriteit van al onze handelingen en het onder alle omstandigheden respecteren van de wet en plaatselijke legitieme belangen, waar ook ter wereld.'

Laat ExxonMobil op basis van deze filosofie wel eens een financieel voordeel lopen?

Absoluut. Het beste recente voorbeeld dat ik daarvan ken is ons project in Tsjaad en Kameroen. We zijn daar verantwoordelijk voor een oliewinningsproject. Daar hadden we sneller mee kunnen beginnen als we niet eerst een dialoog waren begonnen met de plaatselijke gemeenschap, een aantal non-gouvernementele organisaties enzovoort. Voor ons is het heel belangrijk dat we ethisch zaken kunnen doen. We zullen nooit meewerken aan corruptie of aan activiteiten die lokale gemeenschappen benadelen.'

Tot slot het industriebeleid. ExxonMobil heeft de nodige kritiek op de hoge arbeidskosten in West-Europa. Maar werkt loonmatiging wel? Per slot van rekening kunnen we hier toch niet concurreren met lagelonenlanden.

Dat is een denkfout. Er is concurrentie met andere landen op verschillende niveaus. Veel administratieve banen zijn bijvoorbeeld in Oost-Europa inderdaad veel goedkoper.
Voor een deel wedijveren lokale dochterondernemingen van een en hetzelfde internationale bedrijf. Ook ExxonMobil heeft de keus om hier of ergens anders te investeren. Daarbij bepalen de arbeidskosten naast productiviteit, de kwaliteit van de infrastructuur, de scholingsgraad van de beroepsbevolking, enzovoorts in belangrijke mate het investeringsklimaat. Ik stel vast dat vooral in België de loonkosten dermate de pan uitrijzen dat de productiviteitsstijgingen dit niet meer kunnen compenseren.
Eerlijk gezegd heb ik niet de indruk dat de politiek verantwoordelijken de urgentie van dit probleem onderkennen. De laatste CAO in de petroleumsector voorziet in een loonsverhoging van meer dan zes procent. Daarmee prijst België zich op termijn uit de markt. In Nederland bijvoorbeeld is de loonsverhoging de afgelopen jaren beneden de twee procent gebleven. Trouwens, Nederland is een goed voorbeeld van wat er gebeurt als de lonen te sterk stijgen. De regering moest de laatste jaren hard ingrijpen, omdat de lonen en de inflatie vanaf 1998 veel te sterk waren gestegen.'

Moeten we de industrie dan maar afschrijven en ons concentreren op de dienstensector en bedrijvigheid die plaatsgebonden is?

Dat is onzin. Je moet eerst een koek bakken om 'm te kunnen verdelen. Een land heeft een eigen industrie nodig. En veel diensten worden juist aan de industrie geleverd. Zonder industrie dus geen welvaart, en zonder welvaart geen... vul zelf maar in.'

 Print