Interview met Gaëtan van de Werve (Belgische Petroleum-Federatie)
'Sometimes you win, sometimes you lose'
Sinds 1996 is Gaëtan van de Werve (57) secretaris-generaal van de Belgische Petroleum-Federatie. Deze organisatie behartigt de belangen van de olie-industrie in België. Alle grote oliemaatschappijen, waaronder ExxonMobil, zijn erbij aangesloten.
De taak van de Federatie is niet eenvoudig want publiek, politici en belangenbehartigers laten zich in hun oordeel over de energiemarkt en de oliemaatschappijen niet zelden leiden door vooroordelen en slogans. Lobbyen, meent Van de Werve, is dan ook eerst en vooral uitleggen: 'Er bestaat een grote behoefte aan informatie, aan voorlichting over hoe deze markt functioneert en de oliemaatschappijen opereren. Een van de belangrijkste elementen is dat de internationale markt het prijsniveau bepaalt, niet lokale ondernemingen zoals de onze.'
TEKST: ANTON BUYS | FOTO'S: STEFAN DEWICKERE

Is het niet lastig om woordvoerder en onderhandelaar te zijn namens een groep bedrijven die elkaars concurrenten zijn?
De Federatie begeeft zich nooit op terreinen die te maken hebben met de commerciële strategie van de leden. Ik geef u een voorbeeld: als wij over prijzen praten, dan hebben we het over maximum prijzen, want wij kennen in België immers een programmaakkoord dat de maximumprijzen bepaalt. We zullen in dit kader nooit spreken over de prijsstrategie van een of meer leden.'
De verschillende oliebedrijven hebben een gemeenschappelijk belang, maar hoeven niet dezelfde standpunten in te nemen. Dat kan spanningen opleveren. Hoe gaat u daar mee om?
Het is ook de rol van de Federatie om ten opzichte van de overheid een gemeenschappelijk standpunt te bepalen, zodat we met één stem kunnen spreken. Dat is soms wel een uitdaging, maar in het algemeen lukt het wel, doordat de fundamentele belangen normaliter dezelfde zijn: denk aan het streven naar rechtszekerheid, transparantie, kosteneffectiviteit.'
U verwees naar het programma-akkoord. Waarom heeft België eigenlijk marktregulering nodig?
U moet weten dat het programma-akkoord een vrij uniek systeem is. De overeenkomst houdt in dat dagelijks de maximumprijzen voor petroleumproducten zoals benzine en diesel worden berekend door de adminsitratie van het Ministerie van Economische Zaken, op basis van een vaste formule waarin onder andere de internationale prijs in dollars per ton en de wisselkoers van de dollar zijn verwerkt. In België hebben we dit systeem nodig. In de meeste landen zijn de prijzen van brandstoffen vrij, maar samen met Luxemburg vormt ons land hierop een uitzondering. De Belgische wet stelt dat marktpartijen toestemming van de overheid, lees de minister van Economische Zaken, moeten vragen om hun prijzen aan te passen. Gezien de volatiliteit van de oliemarkten is dat echter onmogelijk; het zou zes weken duren om die toestemming te verlenen. Dankzij het akkoord gebeurt de berekening en vastlegging van maximumprijzen automatisch.'

Zou u zo'n systeem bepleiten als het niet bestond?
Wij zijn natuurlijk voorstander van een vrije markt, maar we zeggen erbij dat het programma-akkoord alleen afgeschaft kan worden als de wet wordt gewijzigd. Dat zou best kunnen; de internationale markt is transparant, er is volop concurrentie, dus we hebben helemaal geen prijsregulering nodig. Ik moet er eerlijkheidshalve wel bijzeggen dat er ook een positieve kant aan het programma-akkoord zit: er is minder discussie in de Kamer of de media over brandstofprijzen, juist omdat een automatisme op een transparante manier de maximumprijzen bepaalt.'
De BPF onderhandelt elke twee jaar namens de sector met de vakbonden over arbeidsvoorwaarden. Hoe kijkt u in dit verband aan tegen de concurrentiepositie van België? De loonkosten stijgen er sneller dan elders.
Inderdaad. Maar het zijn niet alleen de lonen maar ook de hoge sociale lasten die een probleem vormen. Als we zo voort gaan, stevenen we af op een onhoudbare situatie.
Een raffinaderij-operator in Antwerpen kost gemiddeld 20 procent meer dan in Rotterdam. De olie-industrie is een internationale industrie; wij moeten concurreren met ondernemingen in andere landen. De Belgen moeten er daarom van worden overtuigd dat het zo niet verder kan.'

Toch is het kennelijk lastig om steun van de vakbonden te krijgen bij het doorvoeren van de noodzakelijke maatregelen. Zelfs als die, zoals het recente Generatiepact van de regering, nog vrij gematigd zijn. Waar komt dat door?
Ik ben van mening dat de vakbonden eerder de aangesloten leden verdedigen dan de tewerkstelling in het algemeen. Het is toch moeilijk te weerleggen dat hogere lonen en sociale lasten kortere arbeidsduur, extra vakantiedagen, enzovoort, uiteindelijk ertoe zullen leiden dat bedrijven hun activiteiten deels of volledig naar andere landen verplaatsen. Dat gebeurt nu al. Wat de vakbonden doen, lijkt in het voordeel van degenen die nu werk hebben en dan met name de ouderen onder hen. Maar ze zouden meer oog moeten hebben voor degenen die nu zonder werk zitten en voor de perspectieven van komende generaties in dit land. Dat betekent dat ze mee zouden moeten denken over alternatieven in plaats van vast te houden aan bestaande, deels achterhaalde regelingen.'
De Belgische overheid lijkt een voorkeur te hebben voor marktregulering om sociaal ongewenste ontwikkelingen tegen te gaan. U zei dat lobbyen vooral bestaat uit uitleggen en overtuigen. Hebt u het gevoel dat u gehoord wordt?
Sometimes you win, sometimes you lose. In 2000 hebben wij sterk geageerd tegen de gedwongen financiële bijdrage aan de energiecheque. Dat is toen niet gelukt.
Ik denk dat dit enorm nadelig is geweest voor de reputatie van België bij internationale investeerders. We hebben wel gezegd: geen tweede keer. De afgelopen maanden was er weer sprake van zo'n door de sector te bekostigen cheque. De overheid heeft gelukkig begrepen dat het niet in het belang van het land was dit opnieuw te doen.'
'We hebben veel tijd besteed aan een alternatief dat de armsten in de samenleving helpt, maar toch de concurrentiepositie van het bedrijfsleven niet aantast: een Sociaal Fonds voor mensen met de laagste inkomens.
Om hun tegemoet te komen brengen we nu een opslag in rekening van een halve eurocent per liter. De opbrengst komt ten goede aan de 220.000 Belgische gezinnen die nu moeite hebben om de mazoutrekening te betalen.
Een goede zaak; het had er trouwens al veel eerder moeten zijn. Het fonds is nu operationeel, dankzij ons. Om de start in oktober 2004 mogelijk te maken heeft de petroleumindustrie het hiervoor benodigde bedrag renteloos voorgeschoten.'

<We hebben veel tijd besteed aan een alternatief dat de armsten in de samenleving helpt, maar toch de concurrentiepositie van het bedrijfsleven niet aantast: een Sociaal Fonds voor mensen met de laagste inkomens.>
Andere voorbeelden?
Ja, fraudebestrijding. De Federatie heeft daarbij een doorslaggevende rol gespeeld. Het gaat onder andere om btw-fraude door het niet betalen van verschuldigde btw of door het onrechtmatig creëren van een btw-tegoed. Dit speelt vooral voor productstromen tussen EU-lidstaten, in ons geval in het bijzonder tussen Nederland en België, omdat beide markten zeer sterk verstrengeld zijn. Deze georganiseerde fraude, die verantwoordelijk is voor 80 procent van de belastingontduiking in onze industrie, heeft nadelige gevolgen zowel voor de concurrentiepositie van bonafide bedrijven als voor de Belgische schatkist.'
'De oplossing was structurele informatie-uitwisseling tussen de betrokken bedrijven enerzijds en de Nederlandse en Belgische douane anderzijds. Daar heb je niet meer voor nodig dan een door de leverancier in te vullen spreadsheet met alle relevante gegevens: leverancier, bestemming, type product, datum, enzovoort. Zo kan men eenvoudig checken of er niet gerommeld is met de lading.'
'Toen wij dit voorstelden aan de overheid, was de reactie: dit zal pas binnen tien jaar mogelijk zijn. Daarom hebben wij zelf een parallel waarschuwingssysteem opgezet door eerst de Belgische Petroleum-Federatie aan tafel te brengen met de Vereniging van de Nederlandse Petroleumindustrie, VNPI, en daarna de betrokken overheden van beide landen erbij te betrekken. Het heeft enige overtuigingskracht gevraagd, maar uiteindelijk zijn ze akkoord gegaan.'
'Het begint nu te lopen. Het jaarlijkse bedrag aan ontdekte btw-fraude is gedaald van 202 miljoen euro naar twee miljoen! Het succes is zo groot dat ons systeem nu geldt als een pilootproject voor een Europees systeem.
Het is eenvoudig, simpel en snel én effectief.'
De Federatie is ook actief op milieugebied. Klimaatbeleid is op dit moment een van de belangrijkste thema's. Verschillende deskundigen hebben in dit blad verklaard dat België zichzelf een slechte dienst heeft bewezen bij de totstandkoming van het Kyotoprotocol.
Dat is zeker zo. De Belgische onderhandelaars hebben enkel naar het milieu gekeken zonder rekening te houden met de concurrentiekracht van het bedrijfsleven. Als fabrieken hier sluiten en zich vestigen in een ander land waar de regels minder streng zijn, schiet het milieu er niets mee op. Integendeel, er wordt juist meer CO2 uitgestoten. Kyoto is bovendien niet meer dan een signaal; als milieumaatregel stelt het eigenlijk niet zoveel voor. Waarschijnlijk zullen we in de toekomst de CO2-uitstoot veel drastischer moeten verlagen. Daarom moeten we nu op wereldschaal aan de slag. Je kunt tegen India en China moeilijk zeggen dat zij zich niet mogen ontwikkelen met olie en steenkool, iets dat wij wel gedaan hebben. Daarvoor moeten we veel spaarzamer met energie leren omgaan en nieuwe, commercieel toepasbare technologie ontwikkelen die de CO2 -emissies fors kan terugbrengen.'
Klimaatverandering is een mondiaal vraagstuk. Wat kan een klein land als België nog zelf bijdragen?
Alle BPF-leden vinden dat we meer werk moeten maken van energiebesparing, zowel om ecologische als economische reden. Dit is niet alleen een zaak van het bedrijfsleven. Ook andere maatschappelijke sectoren en individuele verbruikers moeten minder energie verbruiken. Wij zien het als een onderdeel van onze maatschappelijke verantwoordelijkheid om het publiek hierover voor te lichten. Een organisatie als Informazout – die verbruikers tips geeft over zuinig stoken, woningisolatie, enzovoort – wordt volledig door onze sector gefinancierd.'
De afgelopen jaren zijn de milieunormen voor brandstof steeds strenger geworden. Er komen nog nieuwe Europese regels. Vindt u dat de olie-industrie nog meer moet, c.q. kan doen?
Nee. In feite is het probleem van de plaatselijke luchtverontreiniging technisch opgelost. Neem het zwavelgehalte in brandstoffen. We zitten nu op 10 ppm zwavel, in feite zwavelvrij; lager kan echt niet. De kosten van het verder aanscherpen van de normen zouden niet verantwoord zijn, doordat dit de luchtkwaliteit niet meer zou verbeteren. We moeten nu wachten op de vernieuwing van het wagenpark. Om bijvoorbeeld het probleem van de roetdeeltjes in dieseluitlaatgassen op te lossen, moeten alle dieselvoertuigen worden uitgerust met roetfilters. Hier ligt een gezamenlijke taak voor de auto-industrie en de overheid, maar niet voor de olie-industrie.'
'De olie-industrie blijft uiteraard bereid aanpassingen aan brandstoffen aan te brengen die milieutechnisch verantwoord en economisch haalbaar zijn. Bijmenging van biobrandstoffen van de tweede generatie – ethanol uit cellulose en biogas to liquids – zou hiervan een voorbeeld kunnen zijn.'
|