INHOUDSOPGAVE | TERUG

Interview Ruud Lubbers, Voorzitter Raad van Toezicht Energieonderzoeks-Centrum Nederland

'Doemscenario's kloppen nooit'

Al in de jaren zeventig, als ondernemer en minister van Economische Zaken, hield de vroegere Nederlandse regeringsleider Ruud Lubbers zich actief bezig met vraagstukken als milieubeheer, energievoorziening en duurzame ontwikkeling. Dat bleef zo tot hij in 2001 bij de Verenigde Naties in Genève Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen werd. Na zijn terugkeer uit de Zwitserse stad pakte hij de draad weer snel op: sinds vorig jaar is hij voorzitter van de Raad van Toezicht van ECN in Petten, het Energie onderzoeks- Centrum Nederland, dat onder meer fundamenteel wetenschappelijk onderzoek doet naar innovatieve vormen van energieopwekking.

TEKST: ANTON BUYS | FOTO'S: STEFAN DEWICKERE

Nu hij weer in Nederland actief is, heeft Ruud Lubbers (66) een bijzondere werkplek, wellicht de mooiste die hij ooit heeft gehad. Zijn kantoor bevindt zich recht boven het appartement dat hij en zijn vrouw bewonen, op de negende verdieping van een Rotterdams flatgebouw. Het uitzicht is adembenemend. Vlak voor de voet van het appartementencomplex stroomt de Maas door de grootste haven ter wereld. De zon speelt in het water; het ene na het andere rivierschip vaart voorbij. De oud-premier ontvangt ons hier in eigen persoon. Nadat hij koffie heeft gezet, wijst hij op een stadsdeel rechts achter de rivier. Tussen twee bruggen, de 'Hef' en de Willemsbrug, ligt het Noordereiland, waarop een aantal moderne woontorens is gebouwd. Lubbers laat zich direct kennen als een rasechte Rotterdammer. 'Het is', zegt hij, 'vanaf hier niet goed te zien, maar daar, uit een van de oudere woningen, is mijn moeder getrouwd. Met mijn vader uiteraard', voegt hij er snel en schalks aan toe. 'Ze was een schipperskind en voer met haar ouders op een Rijnaak.' Het gesprek zal voor een belangrijk deel in het teken staan van zijn persoonlijke herinneringen. Ze vormen een directe verbinding met zijn huidige activiteiten op het gebied van energievraagstukken en duurzame ontwikkeling.


Lubbers begon zijn actieve loopbaan in 1963 in het familiebedrijf Hollandia in Krimpen a/d IJssel, een constructiewerkplaats en machinefabriek. Eerst was hij directiesecretaris, vanaf 1965 tot en met 1973 lid van de directie. 'In die functie was ik ook lid van de Rijnmondraad, een adviesorgaan van de lokale overheid. Behalve met het succes van die machtige Rotterdamse haven werd ik daar al snel geconfronteerd met een keerzijde van de economische ontwikkeling: milieuschade, vooral in de vorm van vervuilende emissies en waterverontreiniging. Ik was ook gefascineerd en verontrust door het rapport van de Club van Rome, dat in 1972 verscheen. In het najaar van 1973, ik was inmiddels minister van Economische Zaken, brak de eerste oliecrisis uit. Zowel het rapport als de crisis hebben een belangrijke invloed gehad op de energienota die ik in die periode heb uitgebracht. We werden met de neus op de feiten gedrukt: energie is allesbehalve vanzelfsprekend. In mijn nota lag daarom ook toen al de nadruk op energiebesparing en het ontwikkelen van alternatieve energiebronnen.'

De Club van Rome is achteraf fors bekritiseerd door de gebleken onbetrouwbaarheid van de voorspellingen over de eindigheid van grondstoffen zoals olie en gas. Hoe kijkt u hier op terug?

Eindigheid was niet het hoofdpunt van het rapport. De centrale vraag was: wat zal gebeuren als de ontwikkelingslanden opkomen? Ik meen dat de meeste mensen het rapport niet goed hebben gelezen en zich te veel hebben geconcentreerd op de aannames en extrapolaties. Daardoor is het geïnterpreteerd als een doemscenario: straks is alles op. Natuurlijk zijn er veel meer voorraden dan destijds werd aangenomen, maar juist nu vind ik de Club van Rome actueler dan ooit. Door de snelle opkomst van met name China en India is een enorme druk op schaarse grondstoffen ontstaan. En we hebben er een wereldwijd milieuprobleem bij gekregen: klimaatverandering als gevolg CO2-emissies. Vooral deze problematiek heeft mij doen besluiten terug te keren naar waar ik als politicus in de jaren zeventig mee ben begonnen.'


De laatste tijd bent u in het nieuws als promotor van kernenergie om de emissies van broeikasgassen te beperken. Ruilen we zo de ene eindige grondstof niet in voor een andere – uranium?

Welnee. De voorraden uranium zijn veel groter dan wordt aangenomen. Die gefixeerde doemscenario's kloppen nooit, doordat de technologische ontwikkeling niet wordt meegenomen. Technologie is de vriend van het milieu, van de mens. Natuurlijk kunnen ook risico's aan technologische innovaties verbonden zijn, maar bij een verantwoorde toepassing zijn die beheersbaar.'

In dit verband wordt vaak van duurzame oplossingen gesproken. Duurzaam staat daarbij gewoonlijk gelijk aan ecologisch verantwoord. Wat verstaat u onder duurzame ontwikkeling?

Duurzaamheid omvat meer dan milieubescherming. In het Earth Charter*, waaraan ik zelf actief heb bijgedragen, staat het ook met zoveel woorden. Het gaat niet alleen om het beperken van schadelijke emissies, maar ook om het bevorderen van biodiversiteit, participatie van vrouwen en armoedebestrijding. Dat vereist economische ontwikkeling. Wat is economie? Economie is de optimale benutting van schaarse middelen. Dat kan alleen maar met technologische ontwikkeling, met onderwijs, een goed functionerende gezondheidszorg, enzovoort. Ik moet zeggen dat op dat gebied veel is gepresteerd. De wereld is steeds handiger geworden in duurzame ontwikkeling. De welvaart is over het geheel enorm toegenomen.'

Maar ik ontken niet dat er ook problemen zijn. Investeren in milieutechnologie bijvoorbeeld is een zaak van lange adem. Bedrijven kijken echter gewoonlijk niet verder dan vijf of zes jaar om te beslissen of een investering de moeite waard is. Hier zie ik een functie voor de overheid.

Zij moet de lange termijn verkorten door kansrijk onderzoek financieel te steunen en toepassingen te subsidiëren die niet of nog niet rendabel zijn. Zij kan het ook – zoals nu al gebeurt via de CO2-emissiehandel – aantrekkelijk maken voor bedrijven om schadelijke emissies te beperken door er een prijskaartje aan te hangen. In bepaalde gevallen is actief ingrijpen door middel van verbodsbepalingen en wettelijke normen te verdedigen.'

Maar wat moet de overheid bevorderen? Is het niet essentieel dat alleen die projecten worden gesteund die commercieel kansrijk zijn? Ook belastinggeld kan maar één keer worden uitgegeven.

Ik ben van een andere school. Zonder actieve hulp van de overheid komen veel zinvolle initiatieven nooit van de grond. Waar het om gaat is op tijd te stoppen met zinloze activiteiten. Als we echt iets willen, dan kunnen we het ook. Ik wijs altijd graag op President Kennedy's plan om vóór het einde van de jaren zestig een man op de maan te brengen. Dat werd in die tijd door de meeste mensen niet serieus genomen. Maar het is gelukt, hoewel het Apolloproject bedrijfseconomisch gezien volstrekt onrendabel was. Op kleinere schaal en dichter bij huis is de uraniumverrijkingsfabriek URENCO in Almelo een goed voorbeeld.
Toen we daarmee begonnen was het een puur researchproject. Nu loopt Nederland mede dankzij URENCO voorop in nucleaire technologie en levert het bedrijf veel meer op dan het kost. Wat ik maar wil zeggen, is dat je innovatieve ideeën en originele initiatieven niet te snel moet ontmoedigen. We kunnen veel meer dan we denken, als we maar echt willen.

'Er zijn verschillende sectoren waar we dankzij deze aanpak vooruitgang boeken. Ik verwacht dat we met extra overheidsgeld de termijn waarop een investering in zonne-energie gaat renderen, terug kunnen brengen tot circa zeven jaar. Ook bio-energie boekt steeds meer vooruitgang. Hetzelfde geldt voor schoon fossiel, het afscheiden en opslaan van kooldioxide.'

U hebt in de loop der jaren een grote internationale ervaring opgebouwd. In de nabije toekomst moeten belangrijke milieuverdragen worden gesloten, met name om de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Welke garantie hebben we dat landen die nu nog niets hoeven te doen ook actief gaan meewerken en – als ze meedoen – dat ze hun verplichtingen ook nakomen?

Landen ontwikkelen zich. Dat betekent dat ze economisch en technologisch vooruitgang boeken maar ook dat ze maatregelen moeten nemen om de milieu-effecten van de groei te managen. Dat merk je ook aan de belangstelling van die landen voor milieutechnologie. China is bijvoorbeeld zeer geïnteresseerd in de activiteiten van ECN.' 'We moeten trouwens niet denken dat alles van internationale overeenkomsten moet komen. We moeten het ook van grote internationale ondernemingen zoals ExxonMobil hebben. Zij hebben interne regels op het gebied van milieuzorg en veiligheid. Die ondernemingen weten heel goed dat veilig en milieubewust werken en ethisch handelen nauw samenhangen met de kwaliteit en het rendement van operaties.'

U bent behoorlijk optimistisch.

Niet van nature. Het is mijn vak om optimistisch te zijn. Ik onderschat de problemen niet, maar we moeten ze aanpakken, met technologische, economische en wettelijke instrumenten. Kijk naar de geschiedenis. Toen ik in mijn tweede kabinet samen met milieuminister Ed Nijpels, minister Neelie Kroes van Verkeer en Waterstaat en landbouwminister Gerrit Braks het eerste Nationale Milieuplan uitbracht, verweet de milieubeweging ons dat we geen keuze maakten tussen ecologie en economie. Wie hoor je tegenwoordig nog beweren dat beide niet samen kunnen gaan?

* Het Earth Charter is vergelijkbaar met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De in 2000 goedgekeurde tekst omschrijft de fundamentele principes die ten grondslag dienen te liggen aan het bouwen van een rechtvaardige, duurzame en vreedzame wereldgemeenschap in de 21e eeuw. Een speciale commissie coördineert sinds 1997 de vele internationale projecten die in het kader van het Earth Charter zijn en worden opgezet. Meer informatie is te vinden op: www.earthcharter.org.


De politieke carrière van dr. R.F.M. (Ruud) Lubbers begon in 1973, toen hij in het Kabinet Den Uyl namens de Katholieke Volkspartij minister van Economische Zaken werd. Na zijn aftreden, eind 1977, nam hij zitting in de Tweede Kamer, eerst als 'gewoon' lid van de inmiddels gevormde CDA-fractie en vanaf 1989 als fractievoorzitter. In 1982 werd hij minister-president. Lubbers gaf leiding aan drie coalitiekabinetten, twee met de VVD en een met de PvdA. In 1994 verliet hij de politiek. Een jaar later aanvaardde hij een positie als hoogleraar globaliseringsvraagstukken aan de Universiteit van Tilburg.

In 1996 werd hij lid van de Club van Rome. Van 1999 tot 2001 was Lubbers internationaal voorzitter van het Wereld Natuur Fonds. Op 1 januari 2001 begon hij zijn werkzaamheden als Hoge-Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties. Sinds zijn aftreden als Hoge-Commissaris in 2005 heeft Ruud Lubbers een aantal benoemingen aanvaard. Hij is onder meer voorzitter van de Raad van Toezicht van ECN (Energie-Onderzoek- Centrum Nederland) en voorzitter van het curatorium van de werkgeversorganisatie VNO-NCW.

Ruud Lubbers is sinds 1995 Minister van Staat.

 Print