De roep om technisch bekwame medewerkers
Onderwijs en bedrijfsleven werken samen
Al jaren sponsort ExxonMobil de Karel de Grote- Hogeschool in Antwerpen. Niet alleen de onderwijsinstelling, maar ook de onderneming heeft hier profijt van. Na hun afstuderen aan de hogeschool kunnen de studenten immers potentiële medewerkers van ExxonMobil worden.
TEKST: JAN H. VERBANCK | FOTO'S: WILLEM BLAUW

Op de campus van het departement Industriële Wetenschappen en Technologie, kortweg IWT, van de Karel de Grote-Hogeschool in Hoboken, de meest zuidelijke deelgemeente van Antwerpen, worden studenten opgeleid die na hun studieparcours in technische beroepen terechtkomen, zoals operator in de petrochemische industrie. Het hoger onderwijs en het bedrijfsleven hebben deels gelijklopende belangen. Om die reden sponsort ExxonMobil dit departement van de Karel de Grote- Hogeschool al jaren met financiële middelen die de hogeschool toelaten haar laboratoriumopstellingen te vervolmaken. Voor de onderwijsinstelling is de steun onmisbaar; voor het bedrijf schept de steun een band die de doorstroom van studenten naar het bedrijfsleven en de beroepspraktijk kan bevorderen.
In een panelgesprek met enkele mensen van de hogeschool en iemand van de afdeling human resources bij ExxonMobil proberen we zicht te krijgen op de noden en de samenwerkingsmogelijkheden. De Karel de Grote-Hogeschool wordt vertegenwoordigd door Walter Sevenhans, departementshoofd Industriële Wetenschappen en Technologie, Imanol Michelena, opleidingshoofd Biomedische Laboratoriumtechnologie en Chemie en Serge Tavernier, docent Analytische Chemie en onderzoekscoördinator IWT. Namens ExxonMobil spreekt Ann Cuypers , human resources manager van de Raffinaderij Antwerpen.
De taal van jongeren | Alle instellingen in het hoger onderwijs kampen met dalende studentenaantallen, maar bij de technische opleidingen is de nood extra hoog. Wat kan een onderwijsinstelling doen om meer studenten aan te trekken? Dr. Michelena: Vanaf het academiejaar 2005-2006 zijn we met een vernieuwde aanpak van start gegaan en die lijkt al meteen zijn vruchten af te werpen, want dit jaar zien we een toename van de instroom met maar liefst 50%. Dr. Sevenhans: We hebben daarbij externe professionele hulp ingeroepen, die ons geadviseerd heeft extra aandacht te schenken aan promotiefolders, aanwezigheid op beurzen en de juiste benadering van jongeren in het algemeen. Het is de kunst om in de informatieverstrekking over onze opleidingen gefocust te blijven op praktische zaken en overkill te vermijden. Wat houdt het beroep in? Wat kun je later met het diploma doen? Ook de zichtbaarheid van de instelling hebben we opgedreven... Kortom, we hebben onze marketing beter verzorgd en de kwaliteit van onze opleidingen efficiënter in de kijker geplaatst.

Ann Cuypers: Het komt er inderdaad op aan dichter bij de doelgroep te staan, en de voeling en de verstandhouding met de jongeren te optimaliseren door een taal te spreken die ze begrijpen. Bedrijven kunnen daar ook toe bijdragen door jongeren te sensibiliseren voor wetenschappelijke studies, al vanaf het secundair onderwijs. Dr. Tavernier: Jongeren hebben vooral vragen over het eindpunt van hun vormingstraject. Het klinkt misschien als een domme vraag voor wie het antwoord weet, maar jongeren hebben gewoon geen voorstelling van wat een operator precies is of doet. In een workshop bleek ooit bijvoorbeeld dat jongeren 'procestechnologie' associeerden met rechtspraak, alstublieft!'
Maatschappelijke perceptie | Hebben we het hier dan niet over een maatschappelijk probleem, namelijk de perceptie van technische beroepen en het eventuele negatieve beeld dat ze bij sommigen oproepen?

Dr. Imanol Michelena:
<De tijd dat jongeren chemie associeren
met vies en vervuil is voorbij.>
Dr. Michelena: De tijd dat men chemie automatisch associeerde met vies en vervuilend, is wel wat voorbij, denk ik. Jongeren verbinden chemie vandaag veeleer met positieve begrippen als vernieuwing, materialen, kleuren. De voedingsbodem voor interesse is wel degelijk aanwezig. Dr. Sevenhans: Jongeren van twaalf tot vijftien zijn in wetenschap geïnteresseerd, zolang het er niet te hard wiskundig aan toegaat. Wanneer de formelere aanpak, met formules en dergelijke, eraan komt, haken velen in het secundair onderwijs af. Dr. Michelena: Het kantelt in de tweede graad van het secundair onderwijs. Daarbij speelt een rol wie in het secundair chemie onderwijst. Door de afschaffing van chemie als richting in het regentaat, dat de leraren voor die graad opleidt, springen vaak mensen uit andere vakken – bijvoorbeeld wiskunde – in en zij weten het vak misschien niet altijd even boeiend te brengen. Dat is op lange termijn nefast.

Dr. Sevenhans: Het komt erop aan de fascinatie van het knaapje dat een chemieset gekregen heeft van Sinterklaas, vast te houden en gaandeweg niet te fnuiken. We moeten leerkrachten niet met de vinger wijzen, maar wetenschappen gewoon stimuleren. De Wetenschapsdagen die wij jaarlijks organiseren, waaraan zeshonderd leerlingen uit de Antwerpse middelbare scholen deelnemen en waarop ze proeven kunnen uitvoeren en kunnen experimenteren, zijn bijvoorbeeld een goed initiatief.
De rol van de bedrijven | Kunnen bedrijven als ExxonMobil met hun zichtbaarheid en prestige niet ook bijdragen tot een positieve perceptie en de aantrekkelijkheid voor jongeren van technische opleidingen? Dr. Sevenhans: Er zijn drie belanghebbende partijen die de handen in elkaar kunnen slaan om de populariteit van de wetenschappen te bevorderen en de jeugd te sensibiliseren: naast het onderwijs en het bedrijfsleven is er ook nog de overheid, die steun kan verlenen. Voor de hogescholen zijn studenten levensnoodzakelijk, want het zijn hun 'klanten'; het bedrijfsleven heeft afgestudeerden nodig als toekomstige werknemers; maar ook de maatschappij heeft er belang bij, omdat zij ondermeer leeft van de ontwikkeling van de industrie.

Ann Cuypers:
<De industrie moet de buitenwacht vertellen wat ze doet.>
Ann Cuypers: De aantrekkingskracht van studierichtingen golft natuurlijk wel wat over en weer volgens de behoeften, vraag en aanbod, maar wetenschappen moeten wel onder de aandacht van de jongeren blijven, zodat ze er überhaupt warm voor kúnnen lopen. In dat licht realiseert de industrie zich momenteel goed dat ze naar buiten moet treden om zich te profileren en te vertellen wat ze doet.

Dr. Serge Tavernier:
<Deel uitmaken van een 'winning team'
spreekt jongeren enorm aan.>
Dr. Tavernier: Succesverhalen zijn ontzettend belangrijk! Het is inderdaad zeer nodig dat de industrie vertelt wat ze doet en realiseert. Jongeren maken immers maar wat graag deel uit van een 'winning team', dat spreekt hen enorm aan. De steun die ExxonMobil nu al enkele jaren geeft om specifieke laboratoriumopstellingen te creëren, is voor onze studenten een enorm belangrijke boodschap. Het geeft als duidelijk signaal: onze 'toekomst' heeft interesse in ons en wil meeinvesteren in onze vorming. Het geeft ook de onderzoeksgroepen op de campus een helder signaal van interesse en verbondenheid.
Aangepast curriculum | Leidt het onderwijs wel de geschikte mensen op, uitgerust met de nodige competenties en vaardigheden die het bedrijfsleven van hen verwacht? Dr. Sevenhans: Meer en meer bevat het curriculum naast kennisvakken ook elementen die te maken hebben met hoe een team leiden, hoe een project opzetten, dat soort dingen. Voor onze industrieel ingenieurs is zelfs een paralleltraject uitgezet: de ondernemende ingenieur. Meer dan een derde van de studenten kiest al voor die invalshoeken uit de bedrijfseconomische kant, zonder dat de opleiding verwordt tot die van handelsingenieur.

Dr. Walter Sevenhans:
<Naast kennisvakken bevat het
curriculum nu ook vaardigheden.>
Ann Cuypers: Die combinatie is voor het bedrijfsleven ontzettend belangrijk. Ingenieurs moeten steeds meer een team kunnen aansturen, enthousiasme wekken, coördineren... Dr. Michelena: We 'ont-stoffen' het curriculum door het belang van onze eigen vakken wat te durven relativeren. Evenwicht is in deze richtinggevend: de mix van kennis met vaardigheden als opzoeken, samenwerken, beslissen, communiceren, zelfstudie, conflicten oplossen... De mate waarin het bedrijfsleven daaraan kan deelnemen, door open te staan voor studenten die het contact zoeken in het kader van projecten of opdrachten, verhoogt de geloofwaardigheid.
Dr. Tavernier: Voor ons onderzoekswerk en voor onze aanpak in projectmatig onderwijs, waarbij studenten leren samenwerken en als team problemen leren oplossen, is continuïteit van groot belang. De inzet van ExxonMobil appreciëren we zeer, maar we beseffen ook dat niet één bedrijf dat kan torsen. Wellicht is samenwerking in de sector, om een platform te creëren voor steun en overleg, dan ook realistischer. Het betekent wel: investeren in onderzoek, als onderdeel van het opleidingstraject, zonder directe output voor de bedrijven zelf, maar met zicht op afgestudeerden die meer dan enkel een koffer met kennis bij zich hebben... Dr. Sevenhans: Momenteel is er geen structureel vastgelegd overleg met het bedrijfsleven, tenzij voor de samenstelling van de curricula. Bedrijfsmensen maken immers permanent deel uit van de onderwijscommissies die de curricula doorlichten en vastleggen, wat toelaat om ze ook actueel te houden.
Tenzij dan in de vorm van de welgekomen financiële steun, zoals met name ExxonMobil die verleent voor de uitbouw van de laboratoriumapparatuur. Het geeft de Karel de Grote-Hogeschool én haar studenten zonder meer een goed gevoel dat het bedrijfsleven het de moeite waard vindt om hen zover tegemoet te komen.
Zie verder:
Studenten op weg helpen
Sponsoring voor onderwijs
|