INHOUDSOPGAVE | TERUG

Interview met hoogleraar Wim Soetaert

Eerst lopen, dan fietsen

Volgens de Gentse hoogleraar Wim Soetaert staan we aan de vooravond van de doorbraak van de biotechnologie in de chemische en energiesector. Vanuit het Laboratorium voor Industriële Microbiologie en Biokatalyse van de Universiteit Gent maant hij de petrochemische industrie hieraan vooral mee te werken. 'Eraan ontkomen kan je toch niet'.

TEKST ANTON BUYS | FOTO'S STEFAN DEWICKERE

Het is nauwelijks voor te stellen, maar ooit zal de mensheid het zonder fossiele brandstoffen moeten zien te rooien. Snel zal dat overigens niet gebeuren. Geologen voorspellen dat we bij de huidige en verwachte verbruikscijfers voldoende olie en gas hebben om deze eeuw door te komen. De steenkolenvoorraden zijn nog veel groter.

Het is natuurlijk de vraag of we door zullen gaan tot de laatste druppel olie, de laatste kubieke meter gas en de laatste kilo steenkool. Wijdverbreid is het cliché dat het stenen tijdperk ook niet is geëindigd doordat de stenen op waren. Met andere woorden: er zijn alternatieven en in brede kring wordt ervan uitgegaan dat die op een bepaald moment een hoofdrol voor zichzelf zullen opeisen.

Spreken over fossiele brandstoffen staat gewoonlijk gelijk aan het discussiëren over de energievoorziening, maar we mogen niet vergeten dat olie ook de belangrijkste grondstof is voor de chemische industrie. Met windmolens, zonnepanelen of kerncentrales maak je geen kunststoffen, dus wat zijn hier de alternatieven? Het antwoord daarop is – behalve recyclage van al geproduceerde kunststoffen – dezelfde technologie die (ook) wordt toegepast om het energie- en klimaatvraagstuk te helpen oplossen: biotechnologie.

De Universiteit Gent is een belangrijk Europees expertisecentrum en heeft een grote traditie op het gebied van de biotechnologie. De monumentale Vlaamse stad heeft daarom de ambitie om het Silicon Valley van de industriële biotechnologie te worden. Een door de universiteit, de overheid en het bedrijfsleven gedragen initiatief dat dit mogelijk moet maken, heet, met een onverholen verwijzing naar de beroemde Californische Vallei, de Ghent Bio-Energy Valley. De bezieler van dit project is prof.dr.ir. Wim Soetaert. Hij is verbonden aan het Laboratorium voor Industriële Microbiologie en Biokatalyse en is ervan overtuigd dat de biotechnologie een grote toekomst heeft, niet alleen in de chemie maar ook in de energiesector.

U bent heel optimistisch over de mogelijkheden van de industriële biotechnologie als volwaardige vervanger van conventionele petro­chemische productietechnologie. Ook op korte termijn ziet u voldoende kansen. Waarop is uw optimisme gebaseerd?

'Allereerst op de grondstoffenprijs. Olie is duurder dan ooit. Op dit moment kost een vat ongeveer 60 dollar; dat staat gelijk aan circa 300 euro per ton. Hernieuwbare grondstoffen zoals tarwe en maïs kosten momenteel rond de 120 euro per ton. Het zou me verbazen als de olieprijs beneden de 50 dollar per vat zou dalen, dus zowel op de korte als langere termijn is de prijs van hernieuwbare grondstoffen concurrerend.'

Maar de grondstoffen vormen maar één kostenpost. Je hebt technologie en installaties nodig om te kunnen produceren. Blijft het beeld zo gunstig als je die factoren meetelt?

'Ik geef toe dat de productiecapaciteit die we nodig hebben er alleen komt als de benodigde investeringen voldoende rendement opleveren. We hebben in dat opzicht met drie flinke handicaps te maken. Ten eerste is de technologie van de petrochemische industrie volwassen en heeft de industriële biotechnologie daarentegen nog een hele weg af te leggen. Ten tweede zijn de petrochemische installaties al aanwezig en bovendien afgeschreven, terwijl de meeste bioraffinaderijen nog moeten worden gebouwd, en betaald. De derde handicap is de schaalgrootte: bioraffinaderijen kunnen best groot zijn, maar hun omvang is nog relatief klein in verhouding tot de enorme schaalgrootte die olieraffinaderijen hebben bereikt. Ze missen dan ook de bijkomende voordelen. Er worden in de chemische industrie mede daardoor nog altijd mooie winsten gemaakt, ook al omdat de afnemers bereid zijn de hogere grondstofprijzen als gevolg van de gestegen olieprijs te betalen. De transitie van de fossiel- naar een biogebaseerde economie zal dus nog veel tijd vergen.'

<De transitie van de fossiel- naar een biogebaseerde economie zal nog veel tijd vergen.>

Waarom zouden we overstappen van de beproefde, succesvolle petrochemie naar biologische pro­ductiemethoden?

'In de eerste plaats in verband met onze afhankelijkheid van een eindige grondstof: olie. Maar op dit moment zijn vooral de milieuargumenten doorslaggevend. Een belangrijk voordeel – naast de hernieuwbaarheid van de grondstoffen – is de afbreekbaarheid van bijvoorbeeld bioplastics. De zee wordt vandaag sterk vervuild door allerlei zwerfplastic en vele vogels en dieren stikken daarin. Met bio-afbreekbare plastics kan dit probleem opgelost worden, zonder aan kwaliteit of gebruiksgemak in te boeten.''Het is trouwens ook geen kwestie van of/of maar van en/en. De conventionele petrochemie is prima te combineren met biotechnologische productiemethoden. We kunnen bijvoorbeeld polyethyleen winnen uit suikers. Deze kunnen we biotechnologisch omzetten in ethanol en vervolgens in ethyleen, de basisgrondstof van polyethyleen. Petrochemie en biotechnologie kunnen elkaar al bij al uitstekend aanvullen en moeten dus meer samenwerken.'

<Petrochemie en biotechnologie kunnen elkaar uitstekend aanvullen en moeten meer samenwerken.>

Als biotechnologie zoveel voordelen heeft, kunnen we de markt toch gewoon haar werk laten doen?

'De markt kan veel regelen, maar is vaak helemaal niet zo efficiënt als wordt gedacht, zeker niet als het om het verwezenlijken van sociale of ecologische doelen gaat. Dat vergt doorgaans een actief ingrijpen van de overheid. Hetzelfde geldt voor technologische innovatie: de biotechnologie zou vandaag niet staan waar ze staat als er in Europees verband geen actief stimuleringsbeleid zou zijn geweest.

'We hebben het tot nu gehad over technologie, productieprocessen, de markt, maar is uw enthousiasme voor biotechnologie niet ook ideologisch geïnspireerd?'

Absoluut, ik ben ervan overtuigd dat we de industriële biotechnologie nodig hebben om duurzaam te kunnen produceren. Dat is primair waar het voor mij om gaat. Hernieuwbare grondstoffen verdienen per definitie de voorkeur. Een groot deel van de petrochemie zoals we die vandaag kennen is niet duurzaam. Het is ook een kwestie van sociale rechtvaardigheid. Er gaan in de wereld van olie en gas enorme sommen geld naar een beperkt groepje van landen. Vaak zijn dat ook dictaturen, dus veel profijt hebben de gewone burgers van die landen er niet van. Biogrondstoffen zijn veel eerlijker verdeeld over de wereld: bijna elk land heeft wel landbouwgrond en dit productiemiddel is doorgaans breed verspreid onder de bevolking.'

Op het ogenblik ligt de nadruk in verband met het klimaatvraagstuk vooral op de productie van biobrand­stoffen. De eerste generatie bio­brandstoffen, die wordt geproduceerd uit gewassen zoals maïs, tarwe en koolzaad, heeft een aantal nadelen zoals verdringing van voedselgewas­sen en ontbossing ten behoeve van landbouwgrond. De tweede generatie biobrandstoffen uit restproducten heeft die nadelen veel minder. Waarom slaan we die eerste generatie niet ge­woon over en concentreren ons op het concurrerend maken van de tweede?

'Dat is al te simpel. U moet weten dat veel van de research die nu al in de eerste generatie wordt gestoken, ook van betekenis is voor de volgende noodzakelijke stap, het produceren van bio-energie uit reststoffen. Veel van de technologie die we daarvoor nodig zullen hebben, bestaat nog niet eens. Je moet eerst leren lopen om te kunnen fietsen. Dus eerst deze nieuwe industrie van de grond krijgen via de eerste generatie technologie; de tweede generatie volgt later wel. Ook de olie- en auto-industrie hebben er tientallen jaren over gedaan om hun technologie te vervolmaken. De eerste auto's reden overigens op biobrandstoffen: de eerste T-Ford reed op bio-ethanol, de eerste diesel op pindaolie!'

'Ik erger me trouwens aan dat breed uitmeten van de nadelen van de eerste generatie biobrandstoffen. Vaak zijn het gelegenheidsargumenten. Natuurlijk moet duurzaamheid het belangrijkste criterium zijn, maar er wordt met twee maten gemeten. Zeer streng voor biobrandstoffen en veel minder streng voor fossiel, omdat we die energie nu eenmaal niet kunnen missen. Wat dacht u van al die lekkende olieleidingen in ontwikkelingslanden of de regelmatig weerkerende schipbreuken met olietankers? Begrijp me goed, ik vind ook dat biobrandstoffen duurzaam moeten worden geproduceerd. Wij staan niet achter het kappen van regenwouden om nog meer lucratieve palmolieplantages aan te kunnen leggen. Het is ook niet nodig. Er is voldoende braakliggend land dat we op korte termijn in gebruik kunnen nemen, bijvoorbeeld in Oost Europa. Ook het argument van de voedselverdringing overtuigt me niet echt. In de Verenigde Staten is recent enige beroering ontstaan doordat niet minder dan al 15 procent van de maïsoogst voor de productie van bio-ethanol wordt gebruikt. Feit is dat vandaag ongeveer 75 procent van alle geproduceerde maïs als veevoeder dient. De dieren eten de maïs op en de mensen eten het vlees van die dieren. Een behoorlijk inefficiënte manier van voedsel produceren, als u het mij vraagt. Maar daar valt geen mens over.

'Wat adviseert u de petrochemische industrie? Moeten ze zich aansluiten bij de ontwikkelingen in de industriële biotechnologie? Of loopt het niet zo'n vaart en kunnen ze zich beperken tot hun huidige activiteiten?

'Ik zou ze adviseren hieraan mee te doen. Wie hier niet instapt, loopt een grote achterstand op. Eraan ontkomen kan je toch niet.'

 Print

INHOUDSOPGAVE | TERUG