INHOUDSOPGAVE | TERUG

Wat is bakeliet precies?

In hun zoektocht naar een vervanger voor schellak – de natuurlijke hars die wordt afgescheiden door de laccifer lacca oftewel de lakschildluis – produceerden Baekeland en zijn medewerkers uiteindelijk niet één maar drie kunstharsen, type A, B en C genoemd. Bakeliet A is vloeibaar bij hoge en een vaste stof bij lage temperaturen. Bakeliet B ontstaat door verhitting van type A en is stroperig bij hoge temperaturen. Bakeliet C ten slotte ontstaat door type B verder te verhitten; het is vast, kan niet smelten, is onoplosbaar en een slechte geleider voor elektriciteit. Precies de eigenschappen die het product de wereld zouden doen veroveren.

De officiële scheikundige benaming van bakeliet is vrijwel onuitspreekbaar en onleesbaar: polyoxybenzylmethyleenglycolanhydride. De C-variant is een zogenaamde thermoharder. Dat is een kunststof die niet opnieuw kan worden gesmolten, zodat de vorm al vóórdat de chemische verbinding tot stand komt, moet worden gecreëerd. Modernere thermoharders zijn epoxyharsen (onder andere gebruikt om tennisrackets van te maken), polyester (zeilboten) en polyurethaan (matrassen). Naast thermoharders kent de chemische industrie thermoplasten, die na verhitting in de juiste vorm kunnen worden geperst of gegoten. Voorbeelden van deze categorie zijn polyethyleen (folie, speelgoed, huishoudelijke artikelen), pvc (credit cards, afvoerbuizen) polypropyleen (films), polypropeen (tuinmeubelen) en polystyreen (DVD-doosjes). Een tussenpositie wordt ingenomen door elastomeren. Deze kunnen na verhitting niet meer vervormd worden, maar worden daardoor wel elastisch. Bekende elastomeren zijn siliconenkit en thermoplastisch rubber (voor schoenen en speelgoed).

 Print

INHOUDSOPGAVE | TERUG