Het verlichte eigenbelang van de onderneming
Peter Wollaert, directeur Kauri
Zijn NGO's en ondernemingen natuurlijke tegenstanders? Niet volgens de Belgische organisatie Kauri, die het bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld bij elkaar brengt om duurzame ontwikkeling te bevorderen. We ontmoetten de directeur van dit unieke platform, Peter Wollaert. 'Ondernemingen zouden de belangrijkste supporters van de VN moeten zijn.'
TEKST ANTON BUYS | FOTO'S STEFAN DEWICKERE
In België is sinds tien jaar een organisatie actief die zich ten doel heeft gesteld een brug te slaan tussen bedrijven en NGO's. Kauri, zoals dit platform heet, probeert lokale vestigingen van internationale ondernemingen en het middenveld zover te krijgen dat ze samen inhoud geven aan het begrip maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), hier maar zeker ook in ontwikkelingslanden. Zoiets vereist vooral dat ze elkaar beter leren kennen en mogelijke vooroordelen ten aanzien van elkaars functioneren toetsen aan de werkelijkheid.
Een reeks van bedrijven en NGO's in België zijn lid van het Kauri-netwerk, waaronder ook ExxonMobil. Het organiseert bijeenkomsten met vertegenwoordigers van beide groepen en informeert de leden over belangwekkende ontwikkelingen op het gebied van MVO. De thema's die Kauri daarbij aansnijdt, vormen een lange reeks: duurzame ontwikkeling, handel en consumptie, armoedebestrijding, bedrijfsethiek, microkredieten, intercultureel management, mensenrechten, ondernemingsbestuur en energievoorziening en klimaatverandering.
Kauri is gevestigd in een monumentaal pand in de Brusselse deelgemeente Anderlecht, niet ver van het centrum van de stad, in het conferentiecentrum café de fiennes. Deze plek dient als conferentie- en ontvangstcentrum en is – adel verplicht – een karakteristiek voorbeeld van duurzaam (ver)bouwen. Zo treffen wij in het gebouw een waterput, aan waarin het regenwater wordt opgevangen waarmee de toiletten worden doorgespoeld.

Kauri heeft een kleine groep van vaste medewerkers. De directeur van de organisatie heet Peter Wollaert (39). Met hem hadden we een gesprek over de valkuilen van het maatschappelijk verantwoord en duurzaam ondernemen, de tegenstellingen tussen economische en maatschappelijke belangen en de paradoxen waarmee zowel idealisten als realisten te kampen hebben als ze hun doelstellingen willen verwezenlijken.
Waarom zouden ondernemingen in iets anders geïnteresseerd moeten zijn dan in hun financiële resultaat?
'Ik zal niet ontkennen dat het resultaat bij bedrijven vooropstaat. De aandeelhouders van klassiek gestructureerde ondernemingen willen boter bij de vis, en wel op korte termijn. Maar ik meen dat het ook in het materiële belang van bedrijven en hun aandeelhouders is om maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Verlicht eigenbelang, noem ik dat. Een groeiende groep van beleggers ziet dat ook. Er ontstaan steeds meer beleggingsfondsen die alleen in duurzame activiteiten investeren.
<Je zou de hoge energieprijzen een
blessing in disguise kunnen noemen>
Je merkt ook dat een toenemend aantal projecten duurzaam wordt uitgevoerd, zoals het nieuwe "ecostadion" in Gent, dat volgend jaar in gebruik wordt genomen en zal zijn voorzien van zonnepanelen, een regenwaterrecuperatiesysteem en energie-efficiënte verlichting.' 'We beleven een omslag. Je zou de hoge energieprijzen wat dit betreft een blessing in disguise kunnen noemen.''
Kosten blijven niettemin een groot obstakel voor de meeste duurzame projecten.

'Het is evident dat alle oplossingen zich in de markt moeten bewijzen. De overheid kan daarbij een stimulerende rol spelen, maar het is nog mooier als bedrijven hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Een voorbeeld: biologisch afbreekbare producten zijn duurder dan producten die het milieu verontreinigen. Er zijn kleine ondernemingen zoals Ecover, die relatief dure ecologische was- en schoonmaakmiddelen produceren voor een nu nog kleine niche in de markt. Het zou voor de verspreiding van deze artikelen goed zijn als zo'n bedrijf een alliantie zou kunnen sluiten met grote, wereldwijde spelers zoals Unilever.' 'Energie is een ander voorbeeld. Er zijn op dit moment grote markten voor duurzame energieproducten en toepassingen die nu volledig buiten het wereldhandels- systeem vallen, meestal in gebieden waar de mensen bijvoorbeeld nog op houtvuurtjes zijn aangewezen voor hun primaire energiebehoeften. We kunnen hen helpen met duurzame energiebronnen en efficiënte energieproductiesystemen, waarvoor moderne technologie vereist is.'
Alternatieve, hernieuwbare energiebronnen zijn op zichzelf niet concurrerend en zullen dat ook niet snel worden.
'Dat wordt onder meer veroorzaakt doordat we de wereld hier veel te veel beschouwen door een westerse bril. Die moeten we eens afzetten. Dan zullen we merken dat oplossingen die hier in onze hoogontwikkelde samenleving misschien niet werken, daar juist een belangrijke ontwikkelingbijdrage kunnen vormen en omgekeerd dat onze aanpak in andere regio's contraproductief kan zijn.' 'We staan er bijvoorbeeld onvoldoende bij stil dat het grootste deel van de mensheid met heel andere weersomstandigheden heeft te maken dan wij. We leven niet allemaal in een gematigd klimaat. Onze economie functioneert alleen op kamertemperatuur.
<Onze economie functioneert
alleen op kamertemperatuur>
Zodra het hier heel warm of heel koud is, loopt alles in de knoei. Dus in een gebied waar de temperaturen oplopen tot boven de veertig of zelfs vijftig graden moet je om maar iets te noemen geen asfaltwegen aanleggen; die smelten onder je voeten. We moeten durven leren van de mensen die daar leven. De locale knowhow, die generatie op generatie is overgeleverd, is vaak efficiënter dan onze aanpak. Als ik moet kiezen tussen bouwen met baksteen, veel glas en airconditioning, wat veel te veel energie kost, of koel bouwen met leem, iets dat wij primitief vinden, dan kies ik voor het laatste. Onze ingenieurs kunnen daarbij van grote betekenis zijn. Er is zoveel innovatieve kracht nodig om in die delen van de wereld nuttige investeringen te doen en bruikbare producten aan te bieden.'

U legt de nadruk op de rol van bedrijven, maar in de meeste ontwikkelingslanden doe je weinig zonder medewerking van de lokale overheidinstanties. En vaak zijn die minder goed georganiseerd dan hier.
'Dat klopt, maar ik meen dat juist het internationale bedrijfsleven er alle belang bij heeft daar verbetering in te brengen. Ondernemingen willen gelijke kansen voor alle marktpartijen, oftewel een level playing field. Dat kan alleen ontstaan als de macht legitiem en transparant is en zelf onderworpen aan de wet. In dit verband is het ongehoord dat de Wereldhandelsorganisatie geen deel uitmaakt van de Verenigde Naties. De VN gaan over alles behalve de economie, terwijl we juist behoefte hebben aan een internationaal economisch wetgevend kader. Steun de VN, zou ik het internationale bedrijfsleven willen adviseren.'
Waarom zouden we de markt niet gewoon haar gang laten gaan? U verwees zelf naar spontane initiatieven om duurzaam te ondernemen. Succesvolle ondernemers steken daarnaast vaak een niet onaanzienlijk deel van persoonlijke vermogen in maatschappelijke projecten.
'Dat vind ik een veel te liberale benadering. Als je van de persoonlijke bijdrage van de rijken en liefdadigheid afhankelijk bent, profiteren alleen bepaalde goede doelen van de giften. Kindjes en beestjes, zeg ik dan een beetje badinerend, want die doen het goed op tv. Maar andere maatschappelijk gevoelige problemen – prostitutie, drugs, vrouwenhandel – zijn het kind van de rekening. Hoe verkeerd zo'n eenzijdige op individuele liefdadigheid gebaseerde aanpak is, kunnen we in de Verenigde Staten zien: een gepolariseerde, onevenwichtige samenleving.'
U gebruikt geregeld het woord duurzaamheid, maar wat is duurzaam? Vallen alleen sociale en ecologische doelstellingen eronder of ook economische aspiraties?

'Kauri screent bedrijven – maar ook maatschappelijke organisaties – op duurzaamheid aan de hand van verschillende criteria. We gebruiken hiervoor een standaardsysteem, de zeven pijlers van maatschappelijk ondernemen, die ingedeeld zijn in vier categorieën: economisch, sociaal, milieu en ontwikkeling. Het gaat dus niet alleen om "zachte" begrippen maar ook harde, meetbare prestaties. Zo'n duurzaamheidsscreening laat zien dat ondernemingen en NGO's zelden of nooit 100 procent duurzaam zijn. Er zijn bedrijven die zeer duurzame productiesystemen hebben en voorbeeldig met hun personeel omgaan, maar niet-duurzame producten op de markt brengen. Denk aan de tabaksindustrie. Omgekeerd zijn er ook ondernemingen die duurzame producten op een niet-duurzame manier produceren, bijvoorbeeld doordat ze een beroep doen op kinderarbeid. En ook maatschappelijke organisaties kunnen prachtige duurzaamheidsdoelstellingen hebben, maar die tegelijkertijd met nietduurzame middelen proberen te verwezenlijken, bijvoorbeeld door hun geld te beleggen in niet-duurzame fondsen.'
Hoe beoordeelt u de olieindustrie in dit verband?
'Het valt niet te ontkennen dat fossiele brandstoffen niet-duurzaam zijn. Ze zijn vervuilend en bovendien zullen ze eens op zijn. Tegelijkertijd besef ik dat de wereldeconomie niet zonder kan. Verbied fossiele brandstoffen van de een op de andere dag en we worden teruggekatapulteerd naar de middeleeuwen.
<Verbied fossiele brandstoffen en we worden
teruggekatapulteerd naar de middeleeuwen>
Het niet-duurzaam zijn van olie, kolen en aardgas in combinatie met de almaar stijgende vraag verplicht ons wel naar alternatieven te zoeken. Ik ben het wel eens met ExxonMobil's filosofie dat we fossiele brandstoffen op korte termijn op een zo'n duurzaam mogelijke manier moeten produceren en gebruiken, dat wil zeggen efficiënt en met oog voor het milieu. We gaan de komende tien, twintig jaar een gediversifieerd pakket van energieplannen moeten ontwikkelen: energie besparen, bestaande alternatieven verbeteren en nieuwe ontwikkelen en de consument overtuigen van de kostbaarheid van energie zullen hier zeker onderdeel van moeten uitmaken. Zet de Sahara vol met zonnepanelen en laat onze knappe koppen het opslag- en distributieprobleem oplossen. Dáár is dat nuttig, dacht ik zo. Dat een deel van de olie-opbrengsten daarvoor aangewend moet worden, staat voor mij vast. De olie is van iedereen, dus moet de samenleving als geheel er ook van kunnen profiteren.'

|