RedactioneelBlij met fossiele brandstoffen
Op 7 november publiceerde het Internationaal Energie-Agentschap (IEA) zijn jaarlijkse World Energy Outlook. Volgens het IEA zelf was het de meest pessimistische studie die het ooit aan dit onderwerp had gewijd. De in Parijs gevestigde organisatie waarschuwde voor slinkende olievoorraden,veel hogere olieprijzen en zelfs een olietekort als er niet iets fundamenteels gaat veranderen. Oorzaak van alle somberheid is de almaar stijgende vraag naar energie. Het IEA becijferde in zijn zogenoemde referentiescenario dat deze bij ongewijzigd beleid in 2030 niet minder dan 55 procent hoger zou zijn dan nu. Dat staat gelijk aan een gemiddelde groei van 1,8 procent per jaar. Deze ontwikkeling – die vooral veroorzaakt wordt door de stormachtige economische groei van grote ontwikkelingslanden, met name China en India – zal behalve fors hogere olieprijzen een hogere uitstoot van CO2 tot gevolg hebben. Het leeuwendeel van de benodigde energie moet immers uit fossiele bronnen worden geproduceerd. Volgens het IEA zouden de emissies van het bekendste broeikasgas in 2030 liefst bijna 57 procent hoger zijn dan nu. De sombere, zelfs alarmistische toon van de nieuwe editie van de World Energy Outlook miste haar uitwerking niet. De media stonden daags na de publicaties bol van pessimistisch getoonzette analyses en citaten. Het is verrassend dat zo heftig op de IEA-studie werd gereageerd. Veel nieuws stond er eigenlijk niet in. Hoewel de conclusies somberder zijn dan in voorgaande jaren, wijken de feiten en cijfers niet wezenlijk af van wat uit de vorige studies al duidelijk was geworden, namelijk dat de vraag naar energie snel stijgt en de wereld, om aan die vraag te kunnen voldoen, grotendeels afhankelijk blijft van olie, gas en steenkool. Het IEA staat daarin ook niet alleen. ExxonMobil deelt zijn Energy Outlook, – oorspronkelijk een interne studie die voor het plannen van de eigen business werd gebruikt – al jaren met de buitenwereld en daarin stond altijd al te lezen dat we de komende decennia voor meer dan 80 procent afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen (zie hierover ook ExxonMobil publiceert energieprognoses tot 2030). Hoewel de cijfers hier en daar verschillen, trekken en trokken andere energieconcerns en onderzoeksinstellingen vergelijkbare conclusies. In sommige studies, zoals die van het IEA, wordt met uiteenlopende scenario's gewerkt. Maar zelfs de meest optimistische variant, met een substantieel groeiende energie-efficiëntie en een procentueel sterk stijgend aandeel van hernieuwbare energiedragers, laat een grote onbalans zien tussen conventionele en duurzame energiedragers. Betekent dat dit de wereld in hoog tempo op zijn ondergang afholt, zoals menig onheilsprofeet ons getrouw aan de traditie wil doen geloven? Dat is hoogst onwaarschijnlijk. Verschillende factoren werken in ons voordeel. Allereerst technologie. We mogen er gerust vanuit gaan dat de mensheid in 2030 dankzij de inspanningen van de wetenschap en miljardeninvesteringen in onderzoek en ontwikkeling nieuwe, efficiëntere middelen ter beschikking zullen staan om commercieel energie op te wekken en te verbruiken dan in 2007. Diezelfde technologische vooruitgang zal ons kunnen helpen om de vraagstukken die met het gebruik van fossiele brandstoffen samenhangen – zoals milieuverontreiniging, toegang tot voorraden en energiepolitiek – afdoende aan te pakken. Een tweede positieve factor is tijd. We kunnen maar beter blij zijn dat de wereld over nog zoveel grote hoeveelheden fossiele brandstoffen beschikt. Daarmee kunnen we, zolang we naar steeds betere en efficiëntere oplossingen voor het energievraagstuk zoeken, voldoen aan de verder stijgende energievraag. Anton Buys, hoofdredacteur |