Interview: Minister Maria van der Hoeven van Economische Zaken
'Geen emissiehandel zonder CO2-reductie'
Binnen de Europese Unie is Nederland dankzij zijn grote aardgasvoorraad een geduchte speler op energie gebied. De minister van Economische Zaken, Maria van der Hoeven, wenst die voordelige positie maximaal te benutten door zoveel mogelijk invloed op het Europese energie- en klimaatbeleid uit te oefenen en de nationale aardgassector en economie nu al klaar te stomen voor de tijd dat de Groningse gasbel uitgeput zal zijn. We spraken met de minister in haar statige ministerie aan de Haagse Bezuidenhoutseweg. 'Energie is de sleutel, zowel voor economische welvaart als voor de aanpak van het klimaat probleem.'
TEKST ANTON BUYS FOTO'S STEFAN DEWICKERE

Ruim een jaar is Maria van der Hoeven (58) nu minister van Economische Zaken. De energiesector, een van de belangrijkste onderdelen van haar portefeuille, heeft inmiddels ervaren dat de CDA-minister doorpakt als ze ergens in gelooft. Denk aan de gedwongen splitsing van het netwerkbeheer en de commerciële activiteiten van elektriciteitsleveranciers, die ondanks de pogingen van de betrokken bedrijven om dit tegen te houden gewoon doorgaat.
Kortom, er zit een doener op EZ, die vooral oplossingsgericht denkt. Dat is op economisch gebied ook hard nodig, want hoewel de Nederlandse economie de afgelopen jaren goed heeft gedraaid, duiden sommige signalen op zwaar weer, zoals de voortwoekerende internationale kredietcrisis en de noodzaak de toekomstige energievoorziening veilig te stellen in een wereld die steeds meer energie – en dus fossiele brandstoffen – nodig heeft en bovendien de emissies van broeikasgassen wil terugdringen. Daarbij is een open, internationaal georiënteerde economie als de Nederlandse afhankelijk van wat elders gebeurt. Dat beperkt per definitie de speelruimte van de Nederlandse regering. In dat spanningsveld opereert Maria van der Hoeven, die naar zij zegt, vastbesloten is om de invloed van Nederland als belangrijkste aardgasproducent van Europa te doen gelden en de concurrentiepositie van de eigen industrie te verdedigen.
U bent verantwoordelijk voor het Nederlandse energiebeleid, een van de meest complexe vraagstukken van deze tijd. De verschillende doelstellingen lijken niet zelden tegengesteld aan elkaar: gewenste vermindering van energie-afhankelijkheid versus een toenemende vraag naar fossiele brandstoffen van buiten de EU, noodzakelijke emissiereducties versus groeiend energieverbruik. De ene spagaat na de andere?
'Ja en nee. Laat ik het anders benaderen. Energiepolitiek mag je niet los zien van industriepolitiek en ook niet van klimaatpolitiek. Het is een driehoek, waarbij energie de verbinding vormt tussen industrie en klimaat. Want hoe je het ook wendt of keert, als je geen goede oplossing hebt voor de energiebehoefte, de energieleveringszekerheid en de brandstofmix, dan doe je de industrie tekort en los je uiteindelijk ook de problemen rond het klimaat niet op. Energie is de sleutel, zowel voor economische welvaart als voor de aanpak van het klimaatprobleem. U stelt terecht dat er een groeiende behoefte is aan energie. Ik besef terdege dat als iedereen in China, India en Afrika de beschikking krijgt over een stopcontact – en dan heb ik het nog niet eens over een auto – dat een enorme extra behoefte aan energie met zich meebrengt. Aan de andere kant is het van belang dat we minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, omdat ze ten eerste eindig zijn en ten tweede de gemakkelijk winbare voorraden zo langzamerhand opraken. Je moet dus een beroep doen op meer en meer energiebronnen.'

U doet uw best het gebruik van alternatieve energiebronnen te stimuleren via subsidies en andere maatregelen. Deze bronnen hebben echter gemeen dat ze niet op eigen kracht met fossiel kunnen concurreren. Is het niet kosteneffectiever om eerst en vooral te bevorderen dat we efficiënter dus zuiniger met energie omspringen?
'Het verhogen van de energie-efficiency is inderdaad absoluut noodzakelijk, zowel bij het opwekken van energie als bij het verbruik. Maar ik vind ook dat we ons daar niet toe mogen beperken. Je mag niets uitsluiten. We zitten momenteel in een transitiefase, waarin we veel werk moeten maken van onderzoek en ontwikkeling. In dat kader zou het buitengewoon onverstandig zijn om mogelijke oplossingen te negeren, alleen maar omdat ze nu nog niet commercieel haalbaar zijn. Tegelijkertijd weet ik heel goed dat de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen nog lang zal blijven bestaan om de eenvoudige reden dat we nog lang niet zover zijn dat we de behoefte met duurzame alternatieven kunnen dekken. Soms hoor ik roepen "weg met die fossiele brandstoffen", dus geen steenkolencentrales meer, geen extra vergunningen om te gaan boren. Forget it!'
<De afhankelijkheid van fossiele brandstoffen
zal nog lang blijven bestaan.>
Over één alternatief hebben we het nog niet gehad, kernenergie. U heeft met uw collega van Buitenlandse Zaken Verhagen in een artikel in NRC handelsblad geschreven dat we dit niet mogen uitsluiten als we de energieafhankelijkheid ten opzichte van het buitenland willen verminderen. Is kernenergie in Nederland een realistische optie in het huidige politieke klimaat en gezien de langdurige procedures die nodig zijn om met de bouw van centrales te kunnen beginnen?

'Zolang dit kabinet er zit, gaan we niet bouwen. Daarover hebben we afspraken gemaakt en daar heb ik me aan te houden. Maar dat betekent niet dat we de discussie niet moeten voeren. Eén concrete stap hebben we wel gezet: we hebben vijf terreinen gereserveerd. We bekijken of die nog alle vijf geschikt zijn. Het onderzoek naar de veiligheid en de kernafvalproblematiek zal ook doorgaan. Ik vind dat we in Nederland over dit onderwerp een rare discussie voeren. Er staan in België kerncentrales op een steenworp afstand van de grens. Kijk verder hoeveel kernenergie wij vanuit Frankrijk importeren. Het heeft daarom iets hypocriets als je net doet alsof je niets met kernenergie te maken wilt hebben. Je moet je kop niet in het zand steken. Kernenergie is een gegeven, net als kolen- en gasgestookte centrales en net als de noodzaak CO2 af te vangen en op te slaan. Je kunt wel zeggen, daar doe ik niet aan mee, ik laat het wel aan een ander over, maar dat is toch echt een beetje dom.'
Nederland wil zijn vooraanstaande positie op de gasmarkt behouden. Er worden bilaterale afspraken gemaakt met Rusland, Kazachstan en anderen over de toevoer van aardgas, met Algerije en de Golfstaten over LNG. Daarnaast is er ook een Europees energiebeleid dat de afhankelijkheid van derde landen beoogt te verminderen. Bijten de Europese en Nederlandse initiatieven elkaar niet?
'Nee. We hebben binnen de EU als belangrijk gasproducent een eigen specifieke positie. Die rechtvaardigt dat je niet alle gesprekken langs de EU laat lopen, maar zorgt voor eigen contacten en afspraken binnen het geheel van Europa. De EU moet gasbeleid ontwikkelen, maar ik vind dat Nederland daarin het voortouw kan en moet nemen, omdat we iets te bieden hebben. In dat kader willen we uitgroeien tot de gasrotonde van Noordwest-Europa door overeenkomsten te sluiten met alle belangrijke partners die daarvoor in aanmerking komen. Zo zorgen we er ook voor dat Europa niet afhankelijk is van één leverancier; het gas stroomt vanuit verschillende bronnen naar Europa.'
Er wordt wel steeds meer op EU- niveau besloten. Houdt Nederland ruimte voor een eigen beleid in Europa?
'Dat is een kwestie van je ellebogen gebruiken. Daar ben ik redelijk vierkant in.'
Het Nederlandse Gasgebouw is een internationaal erkend model van succesvolle publiek-private samenwerking. De structuur is enkele jaren geleden veranderd. Het leidingennet is nu volledig in staatshanden, maar daarnaast is de overheid via GasTerra ook betrokken gebleven bij de commerciële gasactiviteiten. Blijft dat zo?

'Ja, dat is een bewuste strategische keuze. Ik vind overigens dat de beslissing om te splitsen tussen een netdeel en commercieel deel destijds heel verstandig is geweest. Vandaar dat ik me daar ook zo voor heb ingezet op de elektriciteitsmarkt. Ik meen ook dat dit in Europees verband moet gebeuren. Het is de beste garantie dat we in de toekomst leveringszekerheid behouden en er voldoende innovatie plaatsvindt.'
Dat zal nog lastig worden, want met name de Fransen en de Duitsers hebben kennelijk een andere visie.
'Nou visie. Ze willen gewoon hun eigen markt beschermen. Dat is niet goed en bovendien strijdig met de EU-regels over de interne markt. Het kan toch niet zo zijn dat een land z'n eigen markt afschermt en tegelijkertijd wel op andere markten actief wil zijn. Daar zal ik me dan ook tegen blijven verzetten. Binnen Europa moeten we daar absoluut sluitende afspraken over maken.'
Het klimaatbeleid is ook zo'n typisch Europees dossier en natuurlijk nauw verbonden met de energie- en economische politiek. Er is in het kader van het Kyoto-verdrag gekozen voor een emissiehandelssysteem en de Europese Commissie stelt nu voor emissierechten te gaan veilen. Waarom zouden we niet voor een directere, transparantere en dus minder bureaucratische vorm van CO2-beprijzing kiezen, bijvoorbeeld in de vorm van een CO2-heffing?
'Ik weet nog niet of je bij een veilingsysteem alle rechten moet veilen of dat je deels voor andere heffingsvormen moet kiezen, waarbij degene die het minst energie-efficiënt is het meest betaalt. Die discussie loopt nog. Ik sta voor alles open, zolang we maar in het oog houden dat het er niet om gaat een mooi handelssysteem op te zetten, maar emissies terug te dringen.'
Bedrijven die veel energie gebruiken, maar wel al heel energie-efficiënt zijn, dreigen met forse kostenverhogingen te worden geconfronteerd als er geveild gaat worden. De industrie heeft al gewaarschuwd dat je zo bedrijven uit Europa dreigt weg te jagen met een miljardencarrousel die niet eens milieuwinst oplevert. Hoe moet je dat vraagstuk tackelen?
'Ik ben van mening dat welk, systeem er uiteindelijk ook gekozen wordt, het de vervuiler moet zijn die betaalt. Daarom wil ik ook niet dat bepaalde verouderde en vervuilende industrieën aan de randen van de EU zomaar een uitzonderingspositie krijgen en door kunnen gaan met het uitstoten van veel te veel CO2. Dit principe geldt trouwens niet alleen binnen de EU, maar ook daarbuiten. We zouden het paard achter de wagen spannen als Europa als enige beperkende maatregelen oplegt, waardoor mondiaal opererende bedrijven worden aangemoedigd ergens anders te investeren. Dan heb je, één, niet minder CO2-uitstoot en, twee, raak je je industrie kwijt. Daar voel ik, zoals u zult begrijpen, helemaal niets voor.'
Europa zegt nochtans een voorbeeld te willen zijn. Toch is het allerminst zeker of de rest van de wereld wil volgen. '
Op zich kun je in de aanloop best een voortrekkersrol spelen, maar daarna moet zeker zijn dat iedereen zich in dezelfde richting beweegt. Anders zit je met je voorbeeldfunctie mooi op de hei.'
|